HetDodeRaam.jpg

De geschiedenis van het gebouw gaat reeds ver terug. we gaan meer dan honderd jaar terug in de tijd. in 1911 bouwde baron Floris Van loo de elektriciteitscentrale te Langerbrugge, ECVB (elektrische centrale voor Vlaanderen en Brabant). dit op de westelijke oever van het kanaal Gent-Terneuzen. een centrale die de ontwikkeling van de hele kanaalzone mogelijk zou gaan maken.

Het was Eugène Dhuicque, een Brusselse architect, en de ondernemers Van Herrewege en De Wilde. die de administratieve gebouwen, woningen, en de afwerking van de installaties op zich nam. Het startpunt van de elektriciteitscentrale was uiteindelijk 1913 en werd officieel in gebruik genomen in juni 1914. Begin november 1918 werd de turbinezaal, tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd. Ondanks het feit dat de constructie van het gebouw het had overleefd waren de installaties vernield, mede omdat de Duitsers tijdens hun terugtrekking de elektrische installaties en de kabels hadden vernield. Het hoofdgebouw bestond uit drie parallelle vleugels, een zaal met schakelborden, de machinezaal en het ketelhuis. De installatie bestond toen uit twee turbo-alternatoren van 2200kW en drie Babcockx-Wilcocx verbrandingsketels. Na de oorlog werden deze installaties onmiddellijk hersteld en werd de installatie uitgebreid naar zes verbrandingsketels en vier Brown-Boveri turbo alternatoren van 6600kW.

Tussen 1925 en 1929 werd de centrale verder uitgebreid met een nieuw ketelhuis. Deze uitbreiding ging toen ook gepaard met de modernisering van het productieproces. De centrale werd door deze aanpassingen een thermische centrale. De eerste in Europa. Hiervoor bouwde Babcockx-Wilcocx een roosterketel die stoom leverde van 50 bar en 450 °C oververhitting en een tegendrukeenheid gebouwd door de firma Brown-Boveri. Ook dit was de eerste maal in Europa. Het brandstofgebruik kon op die manier drastisch dalen, iets wat in de periode na de Eerste Wereldoorlog heel belangrijk was gezien de prijzen van de brandstoffen.

Naast de productie in de centrale was de directie ook er actief in het propaganderen van elektrische energie. De propaganda werd gevoerd door middel van tentoonstellingen en een eigen experimentele boerderij te Evergem. Ze hadden ook een elektrochemisch bedrijf, dit werd later overgenomen door Sadacem. In het kader van dit concept werd dicht bij de centrale een tuinwijk “Herryville” gebouwd voor het kaderpersoneel (meestergasten, ingenieurs en hun beste arbeiders). De wijk werd genoemd naar de toenmalige directeur en ontworpen door de architect die ook de centrale had ontworpen. De realisatie van een nieuwe en ideale woonomgeving in een nog groene omgeving van de steden was een nieuw concept van wonen. In de onmiddellijke omgeving liet men in 1929, een velodroom bouwen voor de wielertoeristenclub van de werknemers. De piste was jarenlang de belangrijkste in België.

In 1941 kregen de arbeiders de vrije stukken land rondom de centrale ter beschikking om eigen voedsel te gaan kweken. Tijdens de oorlog was er weinig te eten en de centrale had er natuurlijk baat bij dat de arbeiders voldoende energie

hadden om te werken. Aardappelen, groeten en zelfs tabak werd gekweekt. Ook het binnenplein van de velodroom werd omgevormd tot een grote moestuin. Het administratief gebouw en de machinezaal werd in 1943 gebombardeerd. De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werden gekend door schaarste. Er was dan ook aan alles een tekort waardoor er enorme prijsstijgingen plaatsvonden. De centrale organiseerde groepsaankopen zodat hun arbeiders aan een relatief goedkope prijs hun goederen konden aankopen. Al snel begon men ook wijn en sterke dranken te verkopen en opende men een kleine winkel. Rond 1949 werd de economie stilaan normaal, er volgde een uitbreiding van de centrale. Toch stond er al snel een nieuwe moeilijke periode. Door de Suezcrisis in de jaren ’50 werden elektriciteitsfabrikanten genoodzaakt om op zoek te gaan naar nieuwe energiebronnen. De steenkoolprijzen stegen enorm waardoor men aardolie en pek ging gaan gebruiken.

De capaciteit van de installatie zou steeds verder worden uitgebreid. Zo verscheen ook de eerste outdoor-ketel op het Europese continent. Deze bleef in werking tot 1965 en werd afgebroken in 1972. Onder druk van de politiek in ons land kwam er een akkoord in 1974, dat drie energieleveranciers zou creëren. Het bestaande Ebes, Unerg en een fusie tussen Intercom en Interbrabant.

In 1986 opende het Museum Energeia op de terreinen van

de centrale. Men kon er de bewaarde stoommachines en stoomturbines tentoonstellen, samen met de vele boeken en documenten uit de geschiedenis van de centrale.

Na de besprekingen tussen de drie grote leveranciers ontstond in 1990, Electrabel. De directie van Electrabel besloot 10 jaar later het museum te sluiten, een jaar later werden het grootste deel van de archiefstukken verplaatst om een veilige bewaring te waarborgen. In datzelfde jaar 2001 stopt ook de intussen verouderde elektriciteitscentrale zijn productie, een kleinere fabriek was intussen gebouwd voor de aflevering van elektriciteit aan de omliggende bedrijven. De geschiedenis van de centrale kreeg in 2012 ook nog een pijnlijke afloop wanneer men begon met de afbraak. De oude gebouwen werden volledig afgebroken en de recentere volledig gestript. Niets van de historische waarde bleef bewaard. Ondanks dat een deel van het archief uit het museum reeds werd verplaatst naar een andere locatie bleven heel veel machines achter. Koperdieven kregen hun kans om hun slag te slaan. De turbines werden uit elkaar gehaald, geklasseerde monumenten werden vernield en de overgebleven documenten vernietigd. Ondanks zijn rijke geschiedenis was het ook hier niet nodige om ze te gaan bewaren en heeft ook dit stukje plaats moeten maken voor één of ander project...

  • Instagram Social Icon
  • Facebook - White Circle

© 2020 door www.creartive.be